Column

Een portie kibbeling a.u.b.

Het heeft wat sentimenteels, de viskraam op zaterdag. De door de wind meegedragen baklucht roept bij mij dan ook altijd melancholische gevoelens op. Gevoelens naar een betere tijd. Een tijd waarin zaterdag nog garant stond voor je kibbeling-klauwen stiekem afvegen aan je jas terwijl je moeder nét een servetje voor je wilde pakken. Zij boos, maar het kon de kleine jou allemaal weinig schelen, je handen waren immers schoon en thuis kreeg je onvoorwaardelijke liefde van de hond. Vol weemoed dwaal ik nog weleens af naar die zorgeloze ochtenden in 1996.

Afgelopen zaterdag toen ik aan het bijkomen was van de nacht ervoor, iets wat tegenwoordig onlosmakelijk verbonden staat aan het weekend, vulde mijn neus zich plots met een mengeling van zonnebloemolie en overleden zeewezens. Als in een filmische bijna-doodervaring zag ik alle momenten uit mijn leven voorbijflitsen totdat ik daar kleine Sander zag staan. Vier jaar oud, een bloempotkapseltje weggewerkt onder een Nijntjemuts en druk bezig om een portie kibbeling in recordtempo buit te maken. Typisch.

Langzaamaan bespeelde de geur mijn neusvleugels. Waar het vandaan kwam, geen idee, maar de intrinsieke drang naar de gefrituurde lekkernij werd aangewakkerd. Terwijl ik watertandend op de bank zat, passeerden herinneringen aan een zorgeloze jeugd mijn gedachten. Niet dat ik normaliter een reden zoek om lekker te eten, maar het toegeven aan sentimentaliteit leek mij in dit geval een uitstekend excuus. De lichtelijke kater maakte plaats voor een berenhonger en al snel fiets ik richting het centrum.

Het gemakkelijke aan viskramen is het feit dat ze in 99% van de gevallen zijn te herkennen aan een grote blauwe vis. Fijn, want zo weet je tenminste zeker dat je niet per ongeluk de bus van de GGZ binnenloopt. Naast de vis, is een visser ook een graag geziene gast op kramen. Of een combinatie van de twee. Zo heeft de kraam uit mijn herinneringen een bebaarde visser die met een zuur gezicht een paling uit het water trekt. Bij gebrek hieraan besluit ik deze zaterdag voor degene met twee 'high fivende' vissen te gaan.

Nog op dezelfde vrolijk manier als twee decennia geleden word ik door de op Urker koopman verwelkomd. De kibbeling wordt besteld en daarna volgt er een spervuur aan sauzen. Ik versta alleen ravigottesaus, dus besluit die zoals gewoonlijk te bestellen. Het wachten op je bestelling is altijd een mooi moment. Waar bij de McDonalds je eigenwaarde met de seconde ziet wegtikken, heeft wachten bij de viskraam wat kneuterigs. Het gezellige zaterdaggevoel heerst en iedereen hapt vrolijk een harinkje weg. Ik grap nog even met de koopman dat zijn praatjes vast net wat te glad zijn nadat hij voor de derde keer zijn vis liet vallen en dan is mijn kibbeling klaar.

Met een opgebouwde spanning van hier tot het IJsselmeer, neem ik een hap van de in mijn gedachte zo gekoesterde visversnapering. Voor mijn ogen zie ik de jaartallen langzaam terugtikken tot het moment dat ik weer 4 lentes jong ben. Dan beginnen mijn smaakpapillen plots te werken. De zacht geworden kibbeling klampt zich vast aan mijn gehemelte terwijl de zure saus mijn vullingen doet knarsen. Eén miezerig hapje maakt plotsklaps een einde aan een leven vol zoete herinneringen. Een illusie armer loop ik met een bedroefd gezicht de regen tegemoet. Jammer, maar helaas. Dat is immers het leven: you win some, you lose some.

Gelukkig bestaat er tegenwoordig zoiets als sushi. En drank. Dat maakt het leed meteen een stuk dragelijker.

Sander